Striemend raakt de wind je teder gelaat,
tranen van koude vormen strepen,
je reliëf word door natuur geraakt,
als een gek jaag je jezelf hierdoor heen,
een lopende neus,
een zakdoek als metafoor,
je kan er niet om heen.
Ijzig priemt de wind zich dieper door,
oortjes hebben pijn,
concentratie gaat teloor.
Weg met de utopische gedachten,
geen verweer,
enkel warmte,
de ware verwachte.
Verkleumd na uren te dolen,
gevonden wat deze koude doet gaan,
bevrozen.
Als een blok van ijs ben je één met deze wereld,
intens bevrozen,
vooroordelen in vergankelijkheid bezegeld.
s.